Er zijn twee grote groepen :
Gewervelde dieren en niet-gewervelde dieren.
De gewervelde dieren omvat dieren die een wervelkolom en een
inwendig geraamte hebben. Deze hoofdafdeling telt vijf klassen :
1. Zoogdieren, bijv. de kat
2. Vogels, bijv. de duif
3. Reptielen, bijv. de adder
4. Amfibieën, bijv. de kikker
5. Vissen, bijv. de baars
Kenmerken :
Een inwendig skelet (dus is het een gewerveld dier)
Ademen door longen
De huid is bedekt met haren
Ze hebben een vaste lichaamstemperatuur tussen 35°C en 40°C
Ze brengen levende jongen ter wereld, die met melk worden gevoed.
De
eerste katachtigen leefden al zo’n 45 miljoen jaar geleden. Nu zijn er niet
echt veel leeuwen en
tijgers meer. Een tijger of leeuw kan zo’n 3 meter lang worden, van kop tot
staart.
De vrouwtjes jagen het meest. Terwijl de vrouwtjes op jacht gaan, verdedigen
de mannetjes het territorium. Een territorium is een vlakte waarop de leeuw
leeft, het is zijn ‘afgebakend’ gebied.
De meeste leeuwen leven in het zuiden van Afrika, tijgers leven meestal in
het zuiden van Azië.
Een belangrijk wapen van de tijger of leeuw zijn de klauwen. Hij gebruikt ze
om te jagen, om zijn prooi te verscheuren, om te klimmen,...
Vogels komen over de hele wereld voor. De meeste soorten vogels kunnen
vliegen. De soorten die niet kunnen vliegen
gebruiken hun vleugels voor andere zaken, bijvoorbeeld om mee te zwemmen
(pinguïns) of te baltsen (struisvogels).

Vogels zijn warmbloedige dieren en hebben een lijf dat bedekt is met
veren. Deze veren houden de vogels warm en zijn nodig om te kunnen vliegen.
De snavel van een vogel is aangepast aan zijn eetgewoontes. Zo hebben zaadeters
een hoge, krachtige snavel en viseters een lange, spitse dolksnavel.
Vogels leggen eieren en broeden deze ook uit. De ouders blijven voor hun
jongen zorgen totdat deze volwassen genoeg zijn
Vissen leven in het water. Het belangrijkst kenmerk van vissen
is dat zij ademen met behulp van kieuwen. Ze filteren de zuurstof uit het water
dat via de mond binnenkomt en meestal via de kieuwen achter hun hoofd het
lichaam weer verlaat.
De meeste vissen leggen eieren. Vissen leggen doorgaans zeer veel eieren, omdat
zij deze niet bewaken. Hierdoor is de kans dat sommige eieren niet worden
opgegeten groter.
De bekendste dieren uit de zee, de dolfijnen en walvissen
zijn
geen vissen, maar zoogdieren: ze zijn warmbloedig, baren levende jongen en zogen
deze jongen voor een lange periode. Ze zijn volledig aangepast aan het leven in
de zee. In zee zijn ze gewichtloos en kunnen daardoor zonder problemen erg groot
worden. Bovendien is hun hele bouw er op gericht zo
weinig mogelijk warmte te verliezen in het koude water. Als ze op het strand
belanden, dan bezwijken ze vrij snel onder hun eigen gewicht en aan
oververhitting.
Een andere groep, die volledig aangepast is aan het leven in het water zijn de
zware, traag zwemmende en volledig vegetarische zeekoeien.
Tot de zeezoogdieren worden ook groepen dieren gerekend, die zowel op het land
als in de zee kunnen leven: de zeehonden en zeeleeuwen. Deze dieren kunnen
langere tijd uit het water blijven maar zijn voor hun voedsel volledig op de zee
aangewezen.
Reptielen zijn gewervelde dieren en ze leven voornamelijk op het land. Ze
zijn koudbloedig en hebben de omgevingstemperatuur dus nodig om hun
lichaamstemperatuur te regelen. De huid van reptielen heeft hoornige schubben en
voelt ruw aan. Deze huid voorkomt dat de reptielen uitdrogen als ze in de zon
liggen om op te warmen.
Sommige
reptielen leggen eieren om zich voort te planten en andere baren levende jongen.
De meeste jonge reptielen zijn al gelijk zelfstandig en hebben dus geen ouders
die voor ze zorgen. Reptielen hebben kwa uiterlijk het meeste weg van de
dinosauriërs die miljoenen jaren terug op aarde leefde.
Er zijn zo'n 2700 soorten slangen. Sommige slangen vangen hun
prooi door middel van een beet met giftanden, andere slangen wurgen hun prooi.
Slechts 15% van alle slangen zijn giftig. Slangen zijn zowel op het land als in
het water te vinden.
De krokodilachtigen (Crocodilia) zijn onder te verdelen in drie categerieën,
te weten de krokodillen, de alligators en de gavialen. Er zijn in totaal 23
soorten te onderscheiden.
De
amfibieën zijn dieren die zowel in het water als op het land leven.
Ze zijn koudbloedig.
De meeste amfibieën hebben longen, sommige krijgen zuurstof binnen via de
huid.
Amfibieën hebben veel vijanden. De meeste hebben dan ook een giftige huid.
De giftige huid smaakt vies, daardoor kunnen roofdieren doodgaan.